Tel uw stedelijke rotte kiezen en vrees er de zwarte tanden
Een groeiend deel van de woningen kan nooit meer worden vervangen — en de vernieuwing ernaast maakt dat steeds schrijnender zichtbaar
Notitie voor de wereld van volkshuisvesting: wethouders, raadsleden, ambtenaren, deskundigen en betrokken partijen.
Door stichting VvENET Amsterdam/MRA — juni 2026 - Bijlage: Feitenkaart "De onvervangbare voorraad" (versie 1.1), waarin alle hier gebruikte cijfers en bronnen zijn verantwoord.1. De
kern
Een groeiend deel van de woningvoorraad kan niet, eigenlijk nóóit meer worden vervangen door nieuwbouw. Bij een woongebouw dat in één hand is — van een corporatie, een belegger — kan de eigenaar na een levensduur van 70 tot 100 jaar afwegen tussen opknappen en sloop/nieuwbouw. Voor het bouwkundig vrijwel identieke gebouw ernaast dat ooit juridisch is gesplitst en deels in appartementen werd verkocht is dat praktisch onmogelijk geworden: sloop vergt instemming van álle eigenaren, alle hypotheekhouders en de erfpachter, en niemand spaart ervoor. Voor veel tot VvE gesplitste woongebouwen, gebouwd tussen 1918 en ca. 1970 is dat niet een probleem in de verre toekomst: het is al jaren geleden begonnen. U ziet het alleen nog niet heel erg, omdat het verval zich gedraagt als dat van een kies: traag, achterin, en zonder dat één eigenaar de bel luidt. Maar die kiezen staan in dezelfde straten als de huurblokken die met verdiende trots zijn vervangen door veel betere kwaliteit. En juist daardoor worden zij straks de zwarte tanden in de straten. Hoe beter en sneller de zichtbare vernieuwing vordert, hoe scherper het contrast met wat niet vernieuwd kán worden. Tel daarom uw rotte kiezen nu, want de rekening wordt straks zichtbaar.
En: realiseer u dat in die ‘rottende kiezen’ met koop- en
huurwoningen ménsen wonen, met alle problemen die horen bij slechte gebouwen. Zoals
kinderen met astma door slechte woningen.
En realiseer u ook het goede nieuws: isoleren en verduurzamen zijn precies de activiteiten zijn waarmee je de levensduur van deze gebouwen met décennia kunt verlengen. Ofwel er is wat voor te zeggen juist hier te beginnen.
2. Inleiding
Een groeiend deel van de woningvoorraad kan niet, eigenlijk nóóit meer, worden vervangen door nieuwbouw. Dat zit zo. Bij een woongebouw dat in één hand is — van een corporatie, een belegger — kan de eigenaar na een levensduur van 70 tot 100 jaar afwegen tussen opknappen en sloop/nieuwbouw.
Voor het vrijwel identieke gebouw ernaast dat ooit is gesplitst en deels in appartementen werd verkocht is dat praktisch onmogelijk geworden: sloop vergt instemming van álle eigenaren, alle hypotheekhouders en de erfpachter, en niemand spaart ervoor. Dit probleem speelt niet in de toekomst, het speelt nu. Voor veel woongebouwen, vooral met bouwjaar tot 1970 is dat probleem groot. U ziet het alleen nog niet, omdat het verval zich gedraagt als een kies: traag, achterin, en zonder dat één eigenaar de bel luidt. Een rotte kies is achterstallig onderhoud dat je nog net kan aanpakken met een grondige renovatie. Bij een zwarte kies is het achterstallige onderhoud zo groot, dat een renovatie niet realistisch is. Rotte kiezen worden zwart, maar niemand die het ziet. Deze kiezen staan in dezelfde straten als de gebouwen die met verdiende trots zijn vervangen door veel betere kwaliteit, in handen van één eigenaar. Hoe beter en sneller de zichtbare vernieuwing vordert, hoe scherper het contrast met wat niet vernieuwd kán worden. Vindt daarom uw rotte kiezen nu, want zwarte kiezen zijn straks niet te vervangen voor nieuwbouw.
3. Nooit
meer vervangbare woningen, nu of straks rotte kiezen
De scheidslijn loopt niet tussen corporatie en koop, maar tussen eigendom in één hand en versnipperd eigendom. En daarbinnen bestaat een glijdende schaal van complexiteit bij het kiezen voor sloop nieuwbouw.
- Een corporatie staat het sterkst: één eigenaar én
een wettelijk herhuisvestingsregime, waarbij huurders een
stadsvernieuwingsurgentie en een gemaximeerde verhuiskostenvergoeding krijgen
en binnen het eigen bezit kunnen worden teruggeplaatst.
- Een belegger met het bezit in één hand kan ook slopen,
maar zonder dat regime: die moet hoge vertrekpremies bieden of zelf vervangende
woningen regelen.
- De gesplitste, qua bezit gefragmenteerde VvE kent geen van beide routes — en heeft bovendien eigenaar-bewoners met een hypotheek, die je niet herhuisvest maar moet uitkopen tegen onmiddellijke aflossing van hun hypotheken en, bij lage opbrengst, voor de verkopers een restschuld. Ofwel die eigenaar-bewoners gaan nooit meewerken aan het besluit tot sloop/nieuwbouw.
Het gevolg is fors: hetzelfde type gebouw, uit dezelfde bouwperiode, heeft twee toekomsten — uitsluitend bepaald door de eigendomsvorm. Is het eigendom in één hand? Dan heeft de eigenaar keuze tussen renovatie en vervanging. Is het eigendom gefragmenteerd? Dan is sloop nieuwbouw bijna onmogelijk. Dat moeten de eigenaren namelijk unaniem samen besluiten, met toestemming van alle hypotheekverstrekkers etc. – en die eigenaren moeten bij sloop meteen die hypotheken aflossen én ze worden dakloos. Ofwel: juridisch is het theoretisch mogelijk, praktisch niet. Waardoor het gebouw tot in lengte van dagen moet blijven staan, terwijl het technisch nooit voor de eeuwigheid is gebouwd. De juridische en praktische onderbouwing staat in de bijlage; de uitkomst is dat een aanzienlijk deel van uw woningvoorraad geen uitweg meer heeft aan het eind van zijn levensduur.
4. Tel
de kiezen: hoeveel, waar, hoe oud
De omvang van dit probleem is geen marginale kwestie. Volgens CBS hebben 132 gemeenten negenentachtig procent van alle VvE-woningen van Nederland. In de oude steden loopt het aandeel ver op: Amsterdam 56 procent, Den Haag 53, Rotterdam 45, Utrecht 35, Haarlem 31, Groningen en Leiden 30 procent.
Niet elke VvE-woning is acuut in verval — het voornoemde cijfer telt ook nieuwbouw en goed bestuurde kleine VvE's mee. Toch zijn er heel wat verouderde VvE complexen: landelijk is vijfenvijftig procent van alle VvE-woningen vóór 1985 gebouwd, in Amsterdam tweeënzestig procent, en veertig procent zelfs vóór 1945. Dat zijn de gebouwen die de risicoleeftijd van zeventig tot honderdtwintig jaar technische levensduur naderen — de kiezen die het eerst zullen rotten. Maar de grachtengordel dan, zegt u? Klopt, ieder gebouw is te behouden, mits de eigenaar daarvoor kan wil betalen. Dan is zelfs de Haagse Ridderzaal uit ca. 1288 prima te behouden en te renoveren. Maar die gebouwen hebben vaak één (of enkele) eigenaar(s). Dat ligt anders voor een voormalig huurcomplex in bijvoorbeeld Amsterdam Slotermeer.
5. Waarom
u ze nu niet opvallen — maar straks overal ziet
Het verval van een gefragmenteerde
VvE blijft lang onzichtbaar, om vier redenen tegelijk.
·
Het gaat langzaam.
·
Het eigendom is versnipperd, dus geen enkele partij
voelt zich verantwoordelijk om aan de bel te trekken.
·
Er is geen vervangingsroute, dus geen project, dus
geen aankondiging. En er is geen lintje te knippen aan een gebouw dat niets
ondergaat.
·
De aandacht — en de fanfare — gaan naar de zichtbare
vernieuwing even verderop: de corporatiesloop met nieuwbouw, gevierd, geteld,
gefotografeerd.
Maar die
VvE-gebouwen staan niet werkelijk uit het zicht. Zij staan met name in de
na-oorlogse wijken, maar ook dichterbij het centrum. Ze staan in dezelfde
straten als de met trots vernieuwde huurblokken. Daar zit de essentie die deze
notitie aan u wil meegeven: het verval is lang onzichtbaar. Want je moet met je
neus op het gebouw staan om het te zien. En achterstallig onderhoud wordt
nergens bijgehouden. Niemand houdt bij of VvE’s wel voldoende (kunnen) sparen voor
onderhoud en herstel.
In een straat waar
het ene blok fonkelnieuw is herbouwd en het identieke blok ernaast langzaam
achteruitgaat zonder dat er iets aan gedaan kán worden, wordt het contrast
onontkoombaar. De rottende kies die niemand opmerkte, wordt de zwarte tand
naast de stralend nieuwe buurman. En hoe beter de vernieuwing slaagt — hoe meer
voortanden u prachtig herstelt — hoe scherper de rot ernaast in het oog
springt. De stad legt, zonder het te bedoelen, met haar eigen vernieuwing de meetlat
aan waarlangs de niet-vernieuwbare gebouwen straks wordt afgemeten.
En een rotte kies
blijft niet bij zichzelf. Zij straalt uit naar de hele omgeving: leefbaarheid,
veiligheid, de waarde van het omliggende vastgoed, de sociale samenstelling van
de buurt. Maar nog belangrijker is de gezondheid van bewoners — denk aan de vochtige
naoorlogse flats met kinderen met astma. De schade van een onverwijderbaar
vervallend gebouw stopt niet bij de erfgrens. Het heeft grote impact op de
bewoners, dus het is logisch om hier als gemeente mee aan de slag te gaan.
6. Hoe
de stad dit zelf maakte
Het ongemakkelijke
is dat deze situatie niet is overkomen maar is gegroeid uit beleid. Decennia van
splitsingsbeleid — het splitsen en verkopen van voormalig corporatie- en
beleggersbezit, vaak met goede bedoelingen rond eigenwoningbezit — hebben
vervangbare voorraad omgezet in onvervangbare. Niemand heeft ooit besloten dat
de stad permanent moest worden. Het is per ongeluk gebeurd, één splitsingsakte
tegelijk, en juist omdat elke afzonderlijke splitsing onschuldig leek, voelt
niemand de optelsom aankomen.
De geschiedenis
waarschuwt dat dit ernst is. Auke van der Woud beschreef4 hoe de destijds meest
verstedelijkte natie ter wereld tussen 1750 en 1850 hele steden als Enkhuizen,
Haarlem, Leiden en Amsterdam zag leeglopen en slopen — in Haarlem was de bevolking
was in 1815 gehalveerd en leek de stad op een bouwval. Tussen 1743 en 1807
werden 1214 percelen gesloopt:
'Straten, waarin
voormaals, gelukkige huisgezinnen door den arbeid een gelukkig bestaan vonden,
zijn geheel afgebroken en in groene velden herschapen.' 'zoo dat het grootste
gedeelte der stad in moestuin of weiland veranderd is'.
Het beeld van
Amsterdam:
“De stad zelve
begon daardoor vreeselijk te vervallen, geheele rijen huizen stonden ledig;
zelfs in drukbezochte gedeelten, in meer aanzienlijke kwartieren, vond men
daarvan de blijken. Zoo waren de huizen, die tijdens Koning Lodewijk op den
hoek van de Leidschestraat en het Leidscheplein waren ingestort, voor het
grootste gedeelte na vijftig jaar nog een woeste plek. [...] Van vele dier
erven waren, bij het overdragen aan andere eigenaars [na 1850], de titels van
eigendom nauwelijks meer te vinden. Wel een bewijs, hoe weinig waarde men in
dien tijd aan deze bezittingen hechtte.”
Steden zijn niet eeuwig.
Maar tóén bestond de uitlaatklep nog: bij enkelvoudig eigendom kon worden gesloopt
en keerde de grond terug tot moestuin, beschikbaar voor latere bebouwing. Bij
de gefragmenteerde VvE-voorraad is die uitlaatklep dichtgelast. Het recht
verbiedt nu de sloop die in de achttiende eeuw nog wél kon. De moderne leegloop
gaat zou niet eindigen tijdelijke moestuinen maar in onverwijderbaar verval.
7. Een
Amsterdams probleem dat eendrachtige aandacht eist
In Amsterdam is de
aanpak van de oplossingen is op dit moment net zo versnipperd als het eigendom waar
het om gaat. Isolatie, energietransitie, warmtetransitie,
splitsingsakte-problematiek, VvE-activering en handhaving zijn in de gemeente
verdeeld over Wonen, Directe Energie i.o., Grond en Ontwikkeling, en stichting
!WOON — zonder merkbare coördinatie. Men gaat een versnipperingsprobleem te
lijf met een versnipperd apparaat. Dat werkt zelden, en het verklaart waarom
een vraagstuk dat dwars door alle kokers loopt, in geen enkele koker eigenaar
heeft.
Daar komt een
ongemakkelijke waarheid bij. Omdat er geen vervangingsroute is, heeft Amsterdam
er juist nú alle belang bij alles op alles te zetten om te voorkomen dat het stedelijk
gebit verder verslechtert. Wie immers wil dat dat er in 2050 een onhanteerbare probleemomvang
is ontstaan?
8. Wat meevalt - en wat niet
Wat meevalt: dit probleem ontploft niet morgen, maar het is al wel begonnen en het langzaam enstiger worden — er is nog tijd en ruimte om te handelen. Op courante
locaties is het zelfs denkbaar dat de markt oplossingen biedt, bijv. een
projectontwikkelaar die alle VvE-leden uitkoopt en de locatie herontwikkelt.
Bovendien is een aanzienlijk deel van de VvE-gebouwen nog jong of klein en is
vervanging voorlopig niet aan de orde. Al is dat per stad wel verschillend.
Wat niet meevalt:
voor de oudere, gefragmenteerde voorraad op de minder courante locaties — waar
uitkoop door een projectontwikkelaar niet rendabel is — bestaat noch een
mechanisme, noch een spaarpot, noch een vervangingsroute. Daar is geen markt
die het oplost en geen instrument dat ingrijpt. En het is precies die voorraad
aan VvE-woningen die, straat na straat, naast de vernieuwing staat.
9. Wat
de stad wél in handen heeft
Dit is geen pleidooi
voor wanhoop maar voor agendering en regie. Vier dingen liggen binnen bereik:
1. Ten
eerste: stop met het onbedoeld vergroten van het probleem. Elke nieuwe
splitsing zonder zicht op een vervangingsroute doet dat – maar dat kan worden beperkt
door strikte kwaliteitseisen aan die splitsing te stellen. Gebruik ze bewust ook
met het oog op de lange termijn.
2. Ten
tweede: maak van VvE-activering een volwaardige volkshuisvestingsopgave, niet alleen
een duurzaamheidsbijzaak. Een actieve, ingeschreven VvE met een reëel
reservefonds en een onderhoudsplan is de eerste verdedigingslinie tegen verval;
een slapende VvE is een gebouw zonder iemand aan het stuur. Volgens CBS 2024 is
minder dan de helft van de VvE's bij de Kamer van Koophandel ingeschreven, Amsterdam
doet het met 61% weinig beter.
3. Ten
derde: organiseer de coördinatie die er nu niet is. Eén plek in de gemeente die
het vraagstuk in samenhang draagt — voorraad, recht, financiering, transitie — in
plaats van vijf kokers die elk een stukje zien.
4. Ten
vierde: agendeer de structurele uitweg waar zij thuishoort, bij de wetgever. De
oplossing voor het ontbreken van een vervangingsroute is nationaal, niet
gemeentelijk. Andere landen tonen dat het binnen het Europese recht op eigendom
kan: Frankrijk heeft een publiekrechtelijke route om vervallen
appartementsgebouwen in het algemeen belang en tegen schadeloosstelling aan te
pakken (zie bijlage). Nederland heeft die niet. Een stad met 56 procent van
haar voorraad in VvE's heeft alle reden om dat onderwerp op de landelijke tafel
te leggen.
De rotte kiezen zijn
er al; u kunt ze tellen. Of u ze ook aanpakt voordat ze zwart worden, is een
keuze — en de tijd om die keuze te maken is nu, terwijl het verval nog stil is
en de straat nog niet de rekening toont.
10. Eindnoten
De volledige verantwoording
van de voorraad-, leeftijds-, eigendoms- en registratiecijfers, van de
juridische grendel en van de internationale vergelijking staat in de
bijgevoegde Feitenkaart "De onvervangbare voorraad" (v1.1). Hieronder
alleen de bronnen die in deze notitie rechtstreeks worden aangehaald.
1. CBS
i.s.m. Kadaster, Aantallen en kenmerken van Verenigingen van Eigenaren 2024
(peildatum 1 januari 2024; gepubliceerd
17 december 2025). Voorraadaandelen, bouwjaar en
KvK-inschrijving
berekend op Tabel 1, 2 en 3. https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2025/51/aantallen-en-kenmerken-van-verenigingen-van-eigenaren-2024
2. Hoge
Raad 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:286 (Martinikerk-Arrest); en Burgerlijk Wetboek
Boek 5, art. 5:126, 5:139, 5:140 en 5:144 — de juridische grendel onder sloop
en aktewijziging. https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2023:286
Frankrijk, publiekrechtelijke aanpak van vervallen appartementsgebouwen (loi Vivien,
ORCOD, loi habitat dégradé 2024) — zie feitenkaart, §4. https://www.banquedesterritoires.fr/presentation-de-la-procedure-dexpropriation-pour-cause-dutilite-publique-des-immeubles-indignes
3. Sloop
en vernieuwing corporatiebezit Nieuw-West (Rochdale, Stadgenoot, Ymere, Eigen
Haard, de Alliantie) — overzichtsdossiers NUL20. https://www.nul20.nl/dossiers/hier-gebeurt-nieuw-west
4.
Auke van der Woud, Het lege land. De ruimtelijke
orde van Nederland 1798–1848 (1987); en De nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne
Nederland (Bert Bakker, 2006; ISBN 978-90-351-2983-2).
Feiten in kaart: de onvervangbare voorraad
Gedeelde bijlage bij
drie notities over onsloopbare VvE-gebouwen — onderhoud, voorraad en warmtetransitie,
bezien vanuit de perspectieven van VvE-leden en -bestuurders, vanuit dat van
volkshuisvesters en vanuit dat van verduurzamers.
Versie 1.0 — peildatum CBS-cijfers:
1 januari 2024
1. Doel
van deze feitenkaart
Deze kaart bundelt
het feitelijke fundament onder drie notities die zich tot verschillende
doelgroepen richten:
·
VvE-besturen en -leden;
·
de wereld van volkshuisvesting;
·
de wereld van duurzaamheid en warmtetransitie.
De drie notities lezen
dezelfde cijfers op drie manieren; deze bijlage houdt die cijfers stabiel en op
één plek. Wie de redenering wil natrekken, vindt hier de bron achter elke
bewering.
Eén onderliggende
stelling verbindt de drie: een groeiend deel van de stedelijke woningvoorraad zit
in een eigendomsvorm die — anders dan gebouwen met één eigenaar — geen
praktische vervangingsroute kent. Het verval van deze gebouwen is traag, hetv
eigendom is versnipperd en grotendeels onzichtbaar, terwijl de zichtbare
vernieuwing (sloop met nieuwbouw van huurgebouwen) juist die gebouwen betreft
die wél vervangen kúnnen worden. De zichtbaarheid is omgekeerd evenredig aan de
ernst.
2. VvE-gebouwen:
hoeveel en waar
Bron: CBS i.s.m.
Kadaster, Aantallen en kenmerken van Verenigingen van Eigenaren, 1 januari 2024
(Tabel 1 en Tabel 3). Eigen berekening op het tabellenbestand.
• Nederland
telt 146.995 VvE's met minimaal één woning en 1.541.680 woningen in VvE's
— circa 19% van de totale woningvoorraad.
• De spreiding over over de 342 gemeenten is zeer scheef:
|
Aandeel
VvE-woningen in de gemeentelijke voorraad |
Aantal gemeenten |
Aandeel van alle gemeenten |
VvE-woningen samen |
|
≥
50% |
2 |
0,6% |
414.815 |
|
≥
40% |
7 |
2,0% |
611.460 |
|
≥
30% |
14 |
4,1% |
782.350 |
|
≥
20% |
42 |
12,3% |
1.057.445 |
|
≥
10% |
132 |
38,6% |
1.379.370 |
|
≥
5% |
257 |
75,1% |
1.509.880 |
• 132 gemeenten — bijna vier op de tien — hebben 10% of meer van hun woningvoorraad in VvE's. In die 132 gemeenten samen staat 89% van álle VvE-woningen van Nederland.
De gemeenten met
het hoogste aandeel (kolom: percentage van de gemeentelijke woningvoorraad /
absoluut aantal VvE-woningen):
|
Gemeente |
% voorraad |
VvE-woningen |
|
Amsterdam |
56% |
270.965 |
|
's-Gravenhage |
53% |
143.850 |
|
Rotterdam |
45% |
144.895 |
|
Leidschendam-Voorburg |
45% |
17.030 |
|
Rijswijk
(ZH.) |
44% |
12.730 |
|
Diemen |
43% |
6.755 |
|
Schiedam |
40% |
15.235 |
|
Utrecht |
35% |
58.545 |
|
Delft |
33% |
17.990 |
|
Capelle
aan den IJssel |
32% |
10.210 |
|
Haarlem |
31% |
24.930 |
|
Groningen |
30% |
36.840 |
|
Leiden |
30% |
19.335 |
|
Amstelveen |
29% |
12.470 |
Ter vergelijking: Almere 18% (16.205), Eindhoven 22% (26.090),
Nijmegen 23% (19.725), Breda
20% (17.955).
Belangrijke beperking:
het percentage telt alle woningen in VvE's mee — ook nieuwbouw, kleine VvE's
van twee of drie woningen, en goed bestuurde verenigingen. Het meet dus de maximale
risico op het hierna beschreven structurele mechanisme, niet de acuut bedreigde
VvE-woningvoorraad. Welk deel daadwerkelijk en op welke termijn in verval
raakt, hangt af van bouwjaar en van de mate waarin de VvE actief hun gebouw
onderhoudt (zie §2 en §6).
3. Hoe
‘bejaard’ zijn VvE-gebouwen
De gebouwen die hun
technische levensduur het eerst naderen, zijn de oudere. Een woonblok uit de de
jaren ’20 en ’30 en zeker vanuit de naoorlogse wederopbouw heeft een verwachte
technische levensduur in de orde van zeventig tot honderdtwintig jaar; de
oudste delen zitten nu al in dat venster.
Bron: CBS 2024, Tabel 3 (bouwjaar
woningen in VvE's). Eigen berekening.
|
Bouwjaar |
Nederland |
Amsterdam |
|
voor
1945 |
325.120 (21%) |
107.430 (40%) |
|
voor
1965 (cumulatief) |
531.230 (34%) |
128.095 (47%) |
|
voor 1985 (cumulatief) |
851.220 (55%) |
167.690 (62%) |
|
2005
en later |
352.030 (23%) |
61.410 (23%) |
Landelijk is meer
dan de helft (55%) van alle VvE-woningen vóór 1985 gebouwd; in Amsterdam 62%,
en 40% zelfs vóór 1945. Dit is de deelvoorraad waarop de notities zich richten
wanneer zij over "verval" spreken — niet de gehele VvE-voorraad.
Eigendom binnen de
VvE-voorraad (Tabel 3): landelijk is 48% koop, 20% corporatiehuur en 32%
overige huur; in Amsterdam 39% koop, 26% corporatiehuur en 35% overige huur.
Meer dan de helft van de VvE-woningen is dus huur of een mengvorm — een
aanwijzing voor het grote aandeel gemengde en gemixte VvE's, waarin
eigenaar-bewoners en eigenaar-verhuurders tot één besluit moeten komen.
4. Waarom
VvE-woningen een vervangingsroute missen
De scheidslijn
is niet "corporatie versus VvE", maar eigendom in één hand versus
versnipperd eigendom — en binnen het eerste loopt een glijdende schaal van leegmaakbaarheid.
Hoe makkelijk een gebouw kan worden leeggemaakt en vervangen, kent een
hiërarchie:
1. Corporatiebezit
— de gunstigste positie. Eén eigenaar én een wettelijk herhuisvestingsre-gime:
huurders krijgen bij sloop een stadsvernieuwingsurgentie (voorrang op
vervangende woonruimte) en een wettelijk gemaximeerde verhuiskostenvergoeding,
en kunnen binnen het eigen bezit worden teruggeplaatst. Het leegmaken is
geregeld, begrensd en betaalbaar.
2. Overige
verhuurders (institutionele beleggers zoals Vesteda, familie-beleggers) —
ei-gendom in één hand, zonder dat regime. Slopen kan, want het bezit is niet
versnipperd; maar het leegmaken is duurder en onzekerder. Zonder
stadsvernieuwingsurgentie voor de huurders moet de verhuurder hoge
vertrekpremies bieden of zelf vergelijkbare vervangende huisvesting regelen — mogelijk,
maar tegen een prijs en in een onderhandeling per huurder.
3. Gesplitste,
gefragmenteerde VvE's — de grendel. Geen van beide routes. Geen beschik-kingsmacht
in één hand, en de bewoners zijn deels eigenaar-bewoners met een hypotheek: die
herhuisvest je niet, die moet je uitkopen tegen onmiddellijke aflossing en, bij
lage op-brengst, restschuld.
Op de derde trede zijn er vier
punten die voor de onmogelijkheid zorgen:
1. Sloop
is een daad van beschikking, geen beheer. De Hoge Raad bevestigde in het Martinikerk-arrest
(24 februari 2023) dat een VvE alleen bevoegd is tot vertegenwoordiging voor
het beheer van de gemeenschap (art. 5:126 BW), en dat een aktewijziging die op
een be-schikkingsdaad neerkomt alleen kan worden geëffectueerd met medewerking van
álle appar-tementseigenaars — de hoofdregel van art. 5:139 lid 1 BW. De
versoepelde route van een viervijfdemeerderheid (art. 5:139 lid 2) geldt
hiervoor uitdrukkelijk niet. Voor sloop is una-nimiteit dus het uitgangspunt.
2. Daar
bovenop: instemming van alle beperkt gerechtigden. Een aktewijziging behoeft de
toestemming van hypotheekhouders en, bij erfpacht, van de grondeigenaar (art. 5:139
lid 3). Bij sloop verdwijnt bovendien het onderpand: het appartementsrecht houdt
op te bestaan, en hypotheekverstrekkers werken niet mee zonder aflossing of
nieuwe zekerheid. Bij lage op-brengst resteert restschuld.
3. Niemand
spaart ervoor. Het wettelijk reservefonds van een VvE is bestemd voor
onder-houd, niet voor sloop, herontwikkeling, nieuwbouw of (tijdelijke) herhuisvesting.
Voor die kosten bestaat geen reservering en er is geen andere instantie die er
voor zorgt.
4. De
rechterlijke route bestaat, maar wordt praktisch niet begaan. Artikel 5:144 BW
laat de kantonrechter opheffing van de splitsing zelfs bevelen — onder meer
wanneer de feite-lijke situatie afwijkt van de akte (sub c) of het gebouw geheel
of gedeeltelijk is gesloopt (sub g) — en art. 5:140 geeft de rechter de
mogelijkheid een ‘onredelijk’ weigerende eigenaar te overstemmen. Het is dus
juridisch niet onmogelijk. Maar gedocumenteerde gevallen van een gesplitste,
deels verkochte VvE (meer dan een handvol woningen) die langs deze weg is gesloopt
en herbouwd, zijn niet te vinden. De opheffing van een splitsing vindt in de
praktijk uitsluitend plaats wanneer alle appartementsrechten weer in één hand zijn
verenigd — dus wanneer de versnippering al ongedaan is gemaakt.
De juiste formulering
is daarom niet "juridisch onmogelijk", maar: praktisch vrijwel onbegaanbaar,
en feitelijk zijn er geen voorbeelden bekend.
Hoe versnipperd is
de voorraad feitelijk? CBS 2024 (Tabel 2) meet per VvE of één eigenaar een
meerderheid bezit. In circa 35% van de VvE's heeft één eigenaar meer dan de
helft van de wo-ningen (op basis van oppervlakte 56%) — deze zitten dichter bij
het "één hand"-uiteinde van de schaal. De overige circa twee derde is
sterker versnipperd: precies de categorie waar de grendel het hardst klemt. Dat
de uitweg via aktewijziging in de praktijk zelden wordt begaan, blijkt
daarnaast uit de geschiedenis van de akten zelf: slechts circa 6% van de VvE's
heeft de splitsingsakte ooit gewijzigd (Hasnaoui & Hoops, WPNR 2023).
Het zichtbare
spiegelbeeld vindt u bijvoorbeeld in Amsterdam-Nieuw-West, waar corporaties
(Rochdale, Stadgenoot, Ymere, Eigen Haard, de Alliantie) honderden technisch
vrijwel identieke naoorlogse woningen slopen en herbouwen — mogelijk juist omdat
het bezit in één hand is én het herhuisvestingsregime bestaat. De
gesplitste-en-verkochte panden van dezelfde bouwperiode er-naast kunnen die
route per definitie niet volgen.
5. Geen
natuurwet, maar een ontwerpkeuze
De grendel is geen
onvermijdelijkheid en geen eis van het recht op eigendom (art. 1 Eerste Protocol
EVRM). Dat blijkt uit twee EVRM-landen zelf.
• Duitsland
kent dezelfde grendel. § 11 van het Wohnungseigentumsgesetz bepaalt dat de
gemeenschap van appartementseigenaren in beginsel onontbindbaar is: geen enkele
eigenaar, en evenmin een meerderheid, kan opheffing verlangen — ook niet uit gewichtige
reden. De enige uitzondering is wanneer het gebouw geheel of gedeeltelijk is
verwoest en geen herbouwplicht bestaat. De grendel is dus een kenmerk van het
continentale appartementsmodel, niet van het EVRM.
• Frankrijk
heeft de grendel publiekrechtelijk opengebroken. Niet via gedwongen
privéverkoop, maar via onteigening van vervallen appartementsgebouwen in het
algemeen belang, tegen schadeloosstelling: de "loi Vivien", de opération
de requalification des copropriétés dégradées (ORCOD) met vervroegde
inbezitneming, de déclaration de carence, de gerechtelijke splitsing, en de loi
habitat dégradé van 9 april 2024. De overheid kan zo een traject van
herwaardering óf van begeleide verdwijning (sloop of functiewijziging) voeren.
Deze route is EVRM-bestendig, omdat artikel 1 Eerste Protocol ontneming in het
algemeen belang tegen vergoeding toestaat.
• Buiten
het EVRM bestaan meerderheidsregimes die een minderheid tot collectieve verkoop
of herontwikkeling kunnen dwingen, telkens met marktwaardevergoeding en
rechterlijke toets: Singapore (en bloc / collective sale, 80–90% sinds 1999),
New South Wales (strata renewal, 75% sinds 2016), en verder onder meer de
Northern Territory, West-Australië, Nieuw-Zeeland, diverse Amerikaanse staten,
Canadese provincies, Japan en Hongkong.
Twee gevolgtrekkingen.
Ten eerste: de Nederlandse leemte is een wetgevingskeuze, geen noodlot. Ten
tweede, en eerlijk: zelfs de Franse gereedschapskist grijpt pas aan bij vergevorderd
verval en onbewoonbaarheid — het is een antwoord op verval, geen voorkoming ervan.
De realistische route blijft dus: verval tot onbewoonbaarheid, en pas dán een zware
publiekrechtelijke ingreep. Frankrijk toont dat dit de weg is die landen in de
praktijk bewandelen.
6. Historisch
precedent: steden zijn niet eeuwig
Het idee dat de bestaande voorraad er als vanzelf altijd zal staan, is historisch weerlegd. In Het lege land (1987) beschrijft Auke van der Woud hoe de Verenigde Republiek c.q. koninkrijk Nederland als destijds meest verstedelijkte natie ter wereld tussen 1750 en 1850 hele steden zag leeglopen en slopen. Enkhuizen verloor in een eeuw meer dan 1.600 huizen; in Haarlem werden tussen 1743 en 1807 ruim 1.200 percelen gesloopt; in Leiden meer dan 540 huizen; in Amsterdam stonden na de Franse Tijd "geheele rijen huizen" leeg en waren eigendomstitels "nauwelijks meer te vinden" omdat niemand er nog waarde aan hechtte. Koning Willem I moest de sloop in 1815 zelfs aan een vergunning binden, tegen de "ontluistering" van de steden en het verlies aan rijksinkomsten.
De pointe voor vandaag zit in het mechanisme, niet in het verval zelf. Toen de waarde wegviel, kón er gesloopt worden, omdat het eigendom enkelvoudig of eenvoudig was; de grond keerde terug tot moestuin en weiland, beschikbaar voor latere bebouwing. Het verval was reëel maar bleef hanteerbaar. Bij de gefragmenteerde VvE-voorraad is die uitlaatklep dichtgelast: het recht verbiedt de sloop die zich in de achttiende eeuw nog wél kon voltrekken. De moderne leegloop zou niet eindigen in lege bouwkavels, maar in juridisch bevroren, onverwijderbaar verval.
7. De
verbindende paradox: de hefboom die klemzit
De omvang van de toekomstige
schade is geen constante maar een variabele — en de belangrijkste knop is
onderhoud en verduurzaming.
De
verwarmingsopgave is enorm — en is tegelijk levensduurverlenging. Volgens CBS
2024 (Tabel 3) wordt 81% van de VvE-woningen landelijk nog met gas verwarmd (78%
via individuele cv of blokverwarming); in Amsterdam 76% (72% individueel/blok).
Slechts 16% landelijk en 22% in Amsterdam is aardgasvrij. Het energielabel is
voor circa 30% van de woningen onbekend, en 10% heeft label E, F of G. De
warmtetransitie raakt dus vrijwel de hele voorraad — en de ingrepen die zij vergt
(isolatie, vochtaanpak, gevel- en dakherstel, installatievernieuwing) zijn
precies de ingrepen die de technische levensduur van een ouder gebouw met
decennia verlengen.
Verduurzaming is in
dit licht niet alleen klimaatbeleid, maar het krachtigste beschikbare instrument
om het verval te vertragen en zo tijd te kopen voor een structurele oplossing.
Maar dezelfde versnippering
die vervanging belet, belemmert ook de renovatie die haar zou uitstellen. De
hefboom zit klem in precies hetzelfde mechanisme:
- Een
VvE die niet actief is, kan niet besluiten, financieren of uitvoeren. De inschrijving
bij de Kamer van Koophandel is sinds 2008 verplicht, maar volgens CBS 2024 is
slechts 46% van de VvE's ingeschreven (67.685 van de 146.995) — dus 54% niet (Tabel
2). CBS kan bo-vendien in de data niet waarnemen of een VvE actief dan wel slapend
is. Een slapende, niet-ingeschreven VvE is een gebouw zonder iemand aan het
stuur.
- Veel
verduurzamingsingrepen overschrijden de kaders van de splitsingsakte en vergen
een voorafgaande aktewijziging. Volgens het Berenschot-rapport Verduurzaming en
de rol van de splitsingsakte (in opdracht van het ministerie van VRO, openbaar
gemaakt 13 november 2025) is tussen 2025 en 2050 voor circa 8.000 VvE's een aktewijziging
juridisch noodzake-lijk, uitsluitend om aansluiting op een warmtenet mogelijk
te maken; voor nog eens 42.000 tot 60.000 VvE's is zij wenselijk of
randvoorwaardelijk. In het minst gunstige scenario be-treft het 68.000 VvE's met
samen circa 627.000 woningen — en dan louter de warmtenet-opgave, dus zonder
zonnepanelen of optoppen. De doorlooptijd van een aktewijziging be-draagt 16
tot 26 weken.
- Van de bestaande financieringsregelingen kwalificeert in de praktijk slechts een klein deel van de VvE's. VvENET's trechteranalyse komt op circa 4–9% landelijk en 5–10% in Am-sterdam (v5, 2026), berekend op CBS 2024 en aanvullende bronnen (onder meer de WODC/Atlas Research-evaluatie 2024 en Matrixian 2023).
Daaruit volgt de
verbindende conclusie van de drie notities: het wegnemen van de
verduurzamings-barrières — financiering die ook slapende en arme VvE's bereikt,
een eenvoudiger aktewijziging, en een terugvaloptie voor onaanspreekbare VvE's
— is niet alleen klimaatbeleid, maar de hoogst ren-derende ingreep op het hele vraagstuk
van de onvervangbare voorraad. Verduurzaming stelt het pro-bleem uit; zij lost
het niet op. Maar decennia kopen is precies wat het bouwen van de echte uitweg
politiek mogelijk maakt.
Herkomst van de cijfers
Alle cijfers in §1
en §2 en de verwarmings- en labelcijfers in §6 zijn berekend op het CBS-tabellenbestand
(noot 1). De juridische kern in §3 berust op de wettekst en het
Martinikerk-arrest (noten 2–4). De internationale vergelijking in §4 op de
aangehaalde wetteksten en overheidsbronnen (noten 5–7). Het historische deel in
§5 op de aangeleverde passage uit Van der Woud (noot 8).
Eindnoten
1.
CBS i.s.m. Kadaster, Aantallen en kenmerken van
Verenigingen van Eigenaren 2024 (peildatum 1 januari 2024; gepubliceerd 17 december
2025, op verzoek van het ministerie van VRO; projectnum-mer PR004061).
Tabellenbestand, Tabel 1, 2 en 3. Niet-KvK-inschrijving (54%), volledige gasaf-
hankelijkheid (90%) en meerderheidsbelang (35% / 56%) berekend op Tabel 2;
bouwjaar, eigendom en verwarming op woningniveau op Tabel 3. https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2025/51/aantallen-en-kenmerken-van-verenigingen-van-eigenaren-2024
2.
Burgerlijk Wetboek Boek 5, art. 5:126, 5:139, 5:140 en 5:144.
https://wetten.over-heid.nl/BWBR0005288
3.
Hoge Raad 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:286 (Mariakapel).
https://uitspraken.recht-spraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2023:286
4.
Bespreking: "Vernietiging van een besluit tot
wijziging van de splitsingsakte door een VvE", Cassa-tieblog https://cassatieblog.nl/goederenrecht/vernietiging-van-een-besluit-tot-wijziging-van-de-split-singsakte-door-een-vve/;
en "VvE slechts bevoegd tot beheersdaden", AD Advocaten https://www.adadvocaten.nl/nieuws/vve-slechts-bevoegd-tot-beheersdaden-en-niet-tot-beschikkings-daden
5.
§ 11 Wohnungseigentumsgesetz (Duitsland),
"Aufhebung der Gemeinschaft" https://dejure.org/ge-setze/WEG/11.html;
toelichting "Unauflöslichkeit der Wohnungseigentümergemeinschaft",
Haufe https://www.haufe.de/recht/deutsches-anwalt-office-premium/unaufloeslichkeit-der-wohnungseigen-tuemergemeinschaft-wemog_idesk_PI17574_HI637304.html
6.
Frankrijk, instrumentarium copropriétés dégradées:
onteigeningsprocedure indigne, Banque des Ter-ritoires https://www.banquedesterritoires.fr/presentation-de-la-procedure-dexpropriation-pour-cause-dutilite-publique-des-immeubles-indignes;
"Aide aux copropriétés fragiles ou dégradées", Ministère https://www.ecologie.gouv.fr/politiques-publiques/aide-aux-coproprietes-fragiles-degradees
7.
Niet-EVRM meerderheidsregimes: Strata Titles Board
Singapore (Land Titles (Strata) Act) https://www.stratatb.gov.sg/how-do-i-apply/matters-under-ltsa/;
"Compensation Thresholds for Col-lective Sales: Singapore & Australia
Compared", Asian Journal of Comparative Law (Cambridge) https://www.cambridge.org/core/journals/asian-journal-of-comparative-law/article/compensation-thresholds-for-collective-sales-singapore-australia-com-pared/E8E64B1D06400F24D7B93C1A7DC936C1
8.
Auke van der Woud, Het lege land. De ruimtelijke orde
van Nederland 1798–1848 (1987) — bron van de aangehaalde passage "Lege steden".
Companion: Auke van der Woud, De nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne
Nederland (Bert Bakker, 2006; ISBN 978-90-351-2983-2).
9.
Registratie en slapende VvE's: methodische toelichting CBS
bij de KvK-vergelijking (Kadaster telt meer VvE's dan het handelsregister;
actief/slapend is niet waarneembaar), editie 2022 https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistische-diensten/2023/aantallen-en-kenmerken-van-verenigingen-van-eigenaren-2022/1-inleiding.
Het percentage niet-ingeschreven VvE's (54%) is voor 2024 rechtstreeks uit
Tabel 2 berekend, zie noot 1.
10. Berenschot,
Verduurzaming en de rol van de splitsingsakte: hoe kunnen VvE's sneller
verduurza-men?, in opdracht van het ministerie van VRO (rapport 15 juli 2025,
openbaar gemaakt 13 november 2025). Circa 8.000 VvE's noodzakelijk / 42.000–60.000
wenselijk-randvoorwaardelijk / worst case
68.000 VvE's en 627.000 woningen; doorlooptijd 16–26 weken. https://www.rijksoverheid.nl/docu-menten/rapporten/2025/07/15/verduurzaming-en-de-rol-van-de-splitsingsakte — toelichting Beren-schot
https://www.berenschot.nl/publicaties/splitsingsakte-de-vergeten-horde-in-de-warmtetransitie
11. VvENET,
trechteranalyse Warmtefonds-kwalificatie VvE's (versie 5, 2026): circa 4–9% kwalificeert
landelijk, 5–10% in Amsterdam. Eigen bewerking op CBS 2024 en openbare bronnen,
waaronder de WODC/Atlas Research-evaluatie Evaluatie Wet verbetering
functioneren verenigingen van eige-naars (mei 2024) en Matrixian (2023, spaarnorm).
Intern dossier; grotere onzekerheidsmarge dan de overige cijfers.
12. M.
Hasnaoui & B. Hoops, over de frequentie van splitsingsaktewijziging (WPNR, 2023):
circa 6% van de VvE's heeft de splitsingsakte ooit gewijzigd; voornaamste bezwaren
kosten en complexiteit: www.wmanl.nl
Reacties
Een reactie posten
Dank voor je reactie, die is naar de redactie gestuurd.